In een studie van de Beierse Julius-Maximilians-Universität Würzburg met 25 kleuters werd onderzocht hoe het zogenoemde ‘motorisch quotiënt’ (een standaardwaarde voor het meten van het motorische ontwikkelingsniveau bij kinderen op kleuterleeftijd) zich ontwikkelt tijdens verschillende soorten training.

De helft van de kinderen (uit het stadscentrum) voerde gedurende 9 weken een regelmatig oefenprogramma uit op een zeer veerkrachtige bellicon-trampoline. De andere helft van de kinderen (uit de buitenwijken) volgde tegelijkertijd een normale, sportpedagogische kindertraining met traditionele methodes.

De ‘trampolinekinderen’ begonnen met een gemiddeld uitgangsniveau van 95 als motorisch quotiënt (MQ). De ‘controle-kinderen’ uit de buitenwijken hadden aanvankelijk met een MQ van 98 een meetbaar betere motoriek.

Resultaten:


Conclusie:

Dankzij de hoge plezierfactor werd de zeer veerkrachtige trampoline door de kinderen keer op keer vrijwillig gebruikt om te spelen en te schommelen. Daarmee verbeterden ze onbewust ook hun conditie.

Bepaling van het motorisch quotiënt (MQ):

Voor een reeks motorische taken worden, afhankelijk van de prestatie, 0-2 punten toegekend. De som van alle punten levert een ruwe score op. Deze wordt met behulp van normtabellen geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de exacte leeftijd van het kind. Zo wordt uit de ruwe score het motorisch quotiënt bepaald.

De MQ-waarde onderscheidt tussen zeer goede (145-131 MQ), goede (130-116), normale (115-86), ondergemiddelde (85-71) en opvallende (70-56) resultaten.